Het godsbewijs van Hartshorne heeft, in essentie, de volgende vorm:
(i) Het is M(ogelijk) dat er een perfect wezen bestaat
(ii) Het is N(oodzakelijk) zo dat, als er een perfect wezen bestaat, dat dit perfecte wezen dan N(oodzakelijk) bestaat
(iii) Wezens die N(oodzakelijk) bestaan kunnen niet niet bestaan
(iv) Er bestaat een perfect wezen [in Kronos]
Algemeen wordt erkend dat Hartshorne de finesse van Anselmusx92 godsbewijs prachtig heeft omgezet in logische volzinnen. Het is dan ook een x91godsbewijsx92 dat met recht x91elegantx92 genoemd mag worden.
De elegantie schuilt in de tweede regel: dit is, in een notedop, de logische vertaling van Anselmus bewijs. Overigens is deze regel gemakkelijker te begrijpen als we hem herschrijven met behulp van een andere operator, namelijk de A(Ltijd):
(iia). Het is A(ltijd) zo dat, als God bestaat, dat God dan A(ltijd) bestaat.
En misschien kan het nxf3g duidelijker, door de operator A(ltijd) een beetje aan te dikken tot A(ltijd)&O(veral):
(iib). Het is A(ltijd)&O(veral) zo dat , als God bestaat, dat God dan A(ltijd)&O(veral) bestaat.
En het spreekt voor zich dat God, als hij altijd en overal bestaat, ook nu in onze wereld, Kronos, moet bestaan. QED.
Deze tweede regel is bijzonder interessant. Er kan lang en breed over worden gesproken. Is het inderdaad altijd en overal zo dat God, als hij bestaat, dat hij dan altijd en overal bestaat? In andere woorden, als God bestaat, is het dan per-sxe9 zo dat God overal en altijd aanwezig is?
Het antwoord is: ja. Want als dat niet het geval is, dan spreken we niet over God. God onderscheidt zich van andere wezens door zijn unieke eigenschappen. En in de x91uniek bepalende beschrijvingx92 van God staat dat hij een perfect wezen is (=Anselmus). En dit is volgens de logicus hetzelfde als zeggen dat God noodzakelijk oftewel altijd&overal bestaat.
Kortom, deze tweede regel van het bewijs is wel opvallend en bijzonder, maar niet onjuist. Ook de derde en de vierde regel zijn niet onjuist. Dit betekent dat de waarheid van het godsbewijs van Hartshorne geheel afhankelijk is van de eerste regel.
In de eerste regel van het bewijs wordt gezegd dat het bestaan van God M(ogelijk) is. Is het mogelijk dat er een wezen bestaat dat in onze ogen perfect is? We hebben het hier al over gehad. Volgens de logicus kan een dergelijk wezen M(ogelijk) bestaan als we uit de eigenschappen die dat wezen heeft geen tegenstelling kunnen afleiden. En het is mogelijk x96let op: ook deze stelling is niet onomstreden!- om het concept God sluitend te definixebren. De logicus kijkt wezenlijk anders naar de werkelijkheid dan de fysicus en heeft geen boodschap aan concrete bewijzen: mogelijk is mogelijk (het is dus wel grappig als je de atheist hoort zeggen dat wie logisch nadenkt weet dat hij geen uitspraken mag aanvaarden waar geen empirisch bewijs voor is: een voorkeur uitspreken voor empirische bewijslast heeft weinig van doen met de logica op zich! De voorkeur van de atheist voor 'harde' wetenschappelijke feiten heeft weinig te maken met logisch nadenken. Het is geen wonder dat Carnap en Ayer de grootste moeite deden om de logica en de empirie tot xe9xe9n geheel aanxe9xe9n te smeden: het is ze uiteindelijk nooit gelukt. Dit prinicipiele verschil tussen logica en empirie verklaart ook waarom Gxf6del het niet zo op de fysica begrepen had.).
Hiermee is de kous niet af. De logici zitten niet stil. Robert Maldoye heeft inmiddels een logisch argument geschreven om te bewijzen dat God inderdaad mogelijk kan bestaan. Voor zover ik zijn argument kan beoordelen is het juist. Hoe interessant ook, ik zal het hier niet bespreken (misschien een andere keer). Maar het is dus mogelijk om ook de eerste stap in Hartshornes' argument logisch te verantwoorden.
Moet de atheist dit godsbewijs nu accepteren? Welnee, want het bewijs is omstreden. Voor theisten is het zondermeer duidelijk dat het bewijs gegrond is, maar de atheist vindt de assumpties te gewaagd en het denkbeeld van een x91perfect wezenx92 niet steekhoudend. Bovendien kan de atheist tot St.Juttemis volhouden dat het concept van God niet sluitend kan worden gedefinieerd. Er bestaat echter geen klip en klare weerlegging van deze godsbewijzen (er bestaan geen formele weerlegging van het godsbewijs). De godsbewijzen mogen dan niet de kracht hebben om iemand op andere gedachten te brengen (maar je moet andere mensen niet willen overtuigen, je moet je beperken tot een degelijke presentatie van je eigen standpunt), de gelovige kan zich wel op deze godsbewijzen beroepen als hij beweert dat het geloof in God niet zonder grond is.
Overigens bestaan er ook logische anti-Godsbewijzen. Persoonlijk vind ik deze anti-bewijzen beslist niet zo kundig en overtuigend als het modale logische godsbewijs, maar: in dit geval zou ik mijzelf niet serieus nemen, ik ben niet neutraal of objectief.
Literatuur (per rubriek gerangschikt van gemakkelijk tot moeilijk):
A-theistisch:
-Poidevin, R. Le, Arguing for Atheism, Routledge, hf.2 (zeer goede inleiding!)
-Everitt, N, The Non-Existence of God, Routledge, hf.3
-Oppy, G, Arguing About Gods, Cambridge, hf. 2
-Grim, P, Some Impossibility Arguments, in: Martin (ed) Cambridge Guide to Atheism, Cambridge
B. Theistisch:
-Palmer, M, The Question of God, Routledge, hf.1 (zeer goede inleiding!)
-Nagasawa, Y, The Existence of God, Routledge, hf.1
-Leftow, B, The Ontological Argument, in: Wainwright (ed) Oxford Handbook of Philosophy of Religion, Oxford
-Maydole, R, The Ontological Argument, in: Craig & Moreland (eds), Natural Theology, Blackwell (zeer moeilijk, maar hier is wel het genoemde bewijs van Maydole te vinden).