Het kan geen toeval geweest zijn dat ik een brief van de politie ontving op de dag dat ik het boek ‘De Ware Toedracht’ van Ton Derksen kocht. Ik werd verdacht van een kruimeldiefstal gepleegd in een klein dorp nabij Utrecht. Aangezien ik nog nooit een voet in dat dorp gezet heb en ik ook zo veel heil niet zie in het bestelen van mijn medemens, was ik ontzet. Was de brief wel echt? Hebben meerdere collega’s van mij misschien een dergelijke brief ontvangen? Is dit een grap van een van onze leerlingen? Maar nee, het stond er echt: men hield mij voor een dief en ik diende mij te melden op het bureau om te worden verhoord. Verdacht van een diefstal gepleegd in een dorp waar ik nog nooit ben geweest…
Wie in aanraking komt met de politie is afhankelijk van de inzichten en opvattingen van de mensen die het uniform dragen. En als we Ton Derksen mogen geloven, zijn die inzichten en opvattingen niet erg betrouwbaar. Het oordeel van justitie is in sommige gevallen gebaseerd op primitieve overtuigingen zoals het ‘magische oog’ (p.117). Het magische oog is de overtuiging die veel mensen hebben dat je aan het gedrag van iemand kunt zien dat hij schuldig is of dat hij iets verbergt. Mensen die iets verbergen friemelen met hun handen, zweten en kunnen moeilijk stil zitten. Politieagenten, douanebeambten en officieren van justitie menen dat ze als geen ander beschikken over een dergelijk magisch oog: ze geloven echt dat ze kunnen zien dat een verdachte niet oprecht is. Hun zelfoverschatting gaat zo ver dat ze een verdachte voor de dader houden louter en alleen na observatie met hun ‘magische oog’:
"Enkele jaren terug vertelden twee rechters, in verschillende tv uitzendingen, dat ze in een moeilijke zaak de verdachte gelukkig enige tijd hadden kunnen observeren. Op basis van die observatie hadden ze de verdachte vervolgens veroordeeld." (p.118)
Het boek van Ton Derksen is een systematische (en wat mij betreft zeer verontrustende) opsomming van wat er allemaal mis kan gaan bij het achterhalen van de waarheid door justitie. Deze opsomming is overigens niet alleen leerzaam voor politieagenten, maar ook voor leraren, ouders en politici.
Derksen gaat er van uit dat de natuur onze hersenen zo heeft gebouwd en ingericht dat wij dankzij evolutionaire ‘shortcuts’ in staat zijn om ons in gewone aardse omstandigheden staande te houden:
"Vanwege het selectieproces zal de werking van onze cognitieve instincten binnen hun ecologische nis, het alledagse leven, redelijk betrouwbaar zijn. Daarzonder hadden we het niet overleefd. Maar daarbuiten, buiten het alledaagse leven, zullen de cognitieve instincten bijna onvermijdelijk ernstige tekortkomingen vertonen: ze zijn daar in de evolutie niet getest. (…) het alledaagse proces van waarheidsvinding komt ongemerkt in grote moeilijkheden wanneer het ongereflecteerd in niet alledaagse toestanden wordt toegepast (p.11)."
De ‘strafrechtcontext’ is volgens Derksen echter niet alledaags. ‘Elk strafrechtproces is een nieuwe situatie waar de gebruikte kennis en theorieen niet de garantie van alledaagse kennis hebben’, (p.12).
Aangezien rechters en politieagenten weinig idee hebben van de vele valkuilen waar verkeerd gebruik van evolutionaire ‘shortcuts’ toe kan leiden, is het belangrijk dat iemand ze zegt wat evolutionaire shortcuts zijn opdat ze hun aangeboren neigingen kunnen overwinnen. Ergo: volgens Derksen is het mogelijk om door inzicht en kennis onze aangeboren neigingen te overwinnen. Dit geldt overigens niet voor al onze aangeboren neigingen, zie p.29ff.
Alles wat we doen en denken is afhankelijk van theorieen. De gedachte dat we onafhankelijke objectieve waarnemers zijn is een van de krachtigste illusies waar we door bevangen zijn. Voor wetenschapsfilosofen oud nieuws, maar voor politieagenten en nogal wat studenten en wetenschappers klaarblijkelijk een nieuwe en behartenswaardige boodschap. Wij zien meer dan het oog en het oor kunnen waarnemen. Of, zoals Derksen het zegt, het brein voegt kennis toe aan de waarneming, p.28. De waarneming wordt beïnvloed door de theorieën waarin je gelooft; de waarneming is ‘theoriegeladen’. [1]
Psychologen maken hier handig gebruik van door de geest van een proefpersoon te ‘primen’, p.38. Laat iemand saxofoonmuziek horen en hij zal in een wat onduidelijke afbeelding onmiddellijk een muzikant herkennen; laat je hem echter eerst vrouwenstemmen horen, dan zal hij in de afbeelding eerst en vooral het gezicht van een vrouw herkennen.
Wie nu een verkeerde theorie aanhangt, interpreteert de werkelijkheid stelselmatig verkeerd. Een politieagent die bijvoorbeeld meent dat een verdachte schuldig is, heeft sterk de neiging om te ‘zien’ dat de verdachte schuldig is! Derksen overlaadt de lezer (het boek is rijkelijk gedocumenteerd) met voorbeelden: rechters die aan Louwes menen te kunnen zien dat hij op het punt staat om een ‘bekentenis’ af te leggen (kun je echt zien wat iemand zal gaan zeggen!?), een rechter die een verdachte de zinssnede ‘to make him cold’ hoort bezigen terwijl de verdachte feitelijk zegt ‘to make him call’ (prachtig is hier de redenatie van Derksen, zie p.39ff.) en officieren die ‘ontdekken’ dat de verslagen van Lucia de B veel gebrekkiger zijn dan die van haar collega’s (zeker omdat ze iets achterhoudt!). De boodschap is duidelijk: als justitie eenmaal gelooft dat je schuldig bent, dan zijn ze ook in staat om het bewijs voor je schuld te ‘zien’ en ‘herkennen’. Onze geest is, als deze eenmaal een theorie over een bepaalde zaak aanhangt, zeer vatbaar voor suggestie. -(En betrek dit eens op leraren, die zo hun eigen theorieen hebben over de intelligentie en het karakter van hun leerlingen. De expertise van leraren is niet veel groter dan die van de doorsnee mens als het gaat om het beoordelen van de eigenlijke talenten van kinderen. Het enige wat leraren kunnen vaststellen is dat een kind lage of hoge cijfers heeft gehaald, de rest is suggestie. Een verstandige leraar erkent zijn gebreken en kijkt alleen naar zijn cijferboekje en naar de officiele normen. Of niet?)
Zolang men zich niet bewust is van de achterliggende theorie die men hanteert bij het beoordelen van verdachten, heeft men de neiging om te geloven dat de feiten onweerlegbaar zijn en dat het verzamelde bewijs objectief is. Als we werkelijk aan waarheidsvinding willen doen, schrijft Derksen, dan moeten we ons eerst en voor alles bewust worden van de theorieen die we feitelijk aanhangen, p.47ff. [2] Tussen de vele voorbeelden die Derksen aanvoert om te illustreren hoe onze theorieen ons op het verkeerde been zetten zit ook onze opvatting over ‘blikvermijden’: als mensen ons niet aankijken, dan liegen ze. We zijn schijnbaar zo overtuigd van de juistheid van deze theorie dat het in sommige landen zelfs is toegestaan om mensen die de blik afwenden tijdens een verhoor schuldig te verklaren!, p.52. Een andere theorie luidt dat verdachten waarschijnlijk geen valse verklaring zullen afleggen; dus, als een verdachte een verklaring aflegt waaruit zijn schuld blijkt, dan is deze verklaring hoogst waarschijnlijk juist, p.60. Met een fijne redenering en veel voorbeelden laat Derksen zien dat deze theorie geen hout snijdt. Ik moet zeggen dat ik buitengewoon heb genoten van de grondige en precieze manier waarop Derksen steeds redeneert. Weer een andere ‘impliciete’ theorie die het openbaar ministerie aanhangt is dat de politie te vertrouwen is; dus zal een verdachte die over daderkennis beschikt altijd schuldig zijn. Helaas blijkt een politieagent tijdens het verhoor zelf wel eens zijn mond -soms onbewust- voorbij te praten en de dader (ongewild) te voorzien van daderkennis, p.68.
Wat men hier tegen kan doen is het volgende. Men moet zich eerst bewust worden van het feit dat men een theorie gebruikt die de waarneming kleurt. Ten tweede is het verstandig om meerdere mogelijke scenarie’s van een misdaad op te stellen en uit te werken. Probleem is misschien dat de scenario’s niet met elkaar rijmen en dat de zaak minder duidelijk wordt, maar anderzijds is men nu wel verplicht om naar meerdere feiten en lezingen te kijken. Het voordeel hiervan is dat men niet domweg vertrouwen kan op ingesleten neigingen. Derksen illustreert dit meerdere-scenario’s model met scenario’s uit o.a. de Deventer moordzaak, p.91ff. Derksen is in deze passages meesterlijk!
Voorts bespreekt Derksen een aantal neigingen die op het eerste gezicht juist heel erg redelijk lijken te zijn: we menen dat er in de werkelijkheid causale verbanden zijn en we menen deze causale verbanden te kunnen herkennen; we zijn in staat om vast te stellen wat iemand bedoelt of wil; en we zien ‘samenhang’ tussen bepaalde zaken. Het probleem is echter dat wij dankzij deze neigingen te pas en te pas verbanden zien die er niet zijn! Dergelijke verbanden kunnen er toe leiden dat we op grond van het uiterlijk onmiddellijk geloven dat iemand schuldig of onschuldig is (zou de natuur de mensen zo geschapen hebben dat je het karakter kunt aflezen aan het uiterlijk? Wat aardig en wat handig van de natuur! Toch menen sommige onderzoekers dat schoonheid en vruchtbaarheid wel af te lezen zijn aan het uiterlijk.) Hoe dan ook, mensen met een babyface hebben geluk: zij kunnen een potje breken zonder dat ze daarvoor worden gestraft. Wie daarentegen op een boef lijkt (een onaantrekkelijk asymmetrisch gezicht) heeft pech: alleen al zijn aanwezigheid op de verkeerde plaats kan eindigen in een lange gevangenisstraf, p.126ff.
Ik overdrijf niet als ik dit een belangrijk boek noem. Het probleem is dat ik meende dat de politie en de rechters in Nederland zeer betrouwbaar waren. Inmiddels denk ik daar toch anders over. Het boek van Derksen is indringend genoeg om je zienswijze te veranderen. De trias politica indachtig, waar blijven we als justitie niet door en door betrouwbaar is? Dit boek lijkt me verplichte kost voor rechters, officieren van justitie, advocaten en politici. En zou ik mij niet reeds bekommeren om het bestaan van God, dan zou ik mij bij prof. Derksen willen melden om te onderzoeken hoe ook de leraren hun leerlingen ongewild systematisch te kort doen door maar domweg te vertrouwen op hun neigingen en ‘expertise’. Hoeveel leerlingen belanden er op het vmbo omdat ze geen symmetrisch gezicht hebben? Geloven leraren dat je op het eerste gezicht kunt ‘zien’ hoe slim een leerling is? Geloven leraren dat er zoiets als intelligentie bestaat? Is deze intelligentie onveranderlijk of veranderlijk? Welke theorieen hanteren leraren en zijn ze zich bewust van de belangrijke rol die deze theorieen spelen bij het beoordelen van leerlingen?
Het verhoor is inmiddels achter de rug. Het ging om een mobieltje. Ergens in mei, toen ik naar mijn lokaal wandelde, zag ik een telefoontje op het schoolplein liggen. Ik heb er mijn sim-kaart ingestopt om te kunnen achterhalen van welke leerling de telefoon was. Dat is gepeild door de politie. Nooit gedacht dat het een gestolen telefoon kon zijn. Leerlingen verliezen hun telefoontjes onophoudelijk, ze strooien er mee. Ik vermoed dat ik er per jaar vier of vijf vind, op de banken, op de vloer, in de prullenbak (!) en op het schoolplein. Zo eenvoudig word je dus een verdachte! Tijdens het verhoor zat het me ook al niet mee: ik zweette behoorlijk (het was warm en ik was milieuvriendelijkerwijs op de fiets gekomen) en bovendien was ik enigszins vertwijfeld, het lukte me niet om stil te zitten: ik wist niet goed of ik nu boos moest worden om deze malle situatie of dat ik me het verhoor met wijsheid moest laten welgevallen (waarom ben je eigenlijk ogenblikkelijk een verdachte? waarom vragen ze je niet eerst wat volgens jou de toedracht is? denken ze soms dat alle mensen liegen en onbetrouwbaar zijn? wist u dat een anonieme aangifte al voldoende is om je van een gewoon burger te veranderen in een verdachte?). Gelukkig heb ik me wel nuttig kunnen maken: ik heb het procesverbaal nagekeken en er de taalfouten uitgehaald. En eerlijk is eerlijk: de agenten die mij hebben verhoord waren erg vriendelijk, maar dat is wiedes want ik heb een symmetrisch gezicht
.
Na het lezen van Derksens boek ben ik enigszins grimmig geworden: je kunt maar beter op geen enkele manier gassocieerd worden met een misdrijf van welke aard dan ook. Want (bijna) alle mensen zijn onvolkomen denkers. Door de politie te worden aangemerkt als verdachte is op zich al een gevaar! Louwes (?) en Lucia weten daar van mee te praten. Als ik voortaan een telefoon vind of een ander voorwerp, dan laat ik het liggen: ik heb niets gezien, ik weet van niets en ik snap niets. Of ik werp het ding in een diep water. Jammer voor de eigenaar. Je moet in deze wereld vermijden dat je verdacht wordt, want een verdachte is schuldig: dat is toch zonneklaar?
Derksen, T, De Ware Toedracht, Veen, euro 30,-
[1]. De meest fundamentele theorie die je gebruikt om alle overige meningen en overtuigingen mee te ordenen noemen we een metafysica of wereldbeeld. Vrijwel alle mensen zijn er van overtuigd dat de gehele werkelijkheid uiteindelijk coherent geordend is en dat al onze theorieen over de werkelijkheid op universele schaal een sluitend geheel vormen. Universele samenhang of coherentie wordt door mensen met een dergelijke metafysica beschouwd als een belangrijke aanwijzingen voor ‘waarheid’: als twee theorieen binnen een discipline niet met elkaar verenigd kunnen worden, leiden wij uit onze metafysican af dat tenminste een en wellicht allebei de theorioeen niet juist zijn. Dat deze metafysica zelf ontleend is aan een evolutionaire neiging of shortcut wordt domweg over het hoofd gezien en is een van de hardnekkigste illusies waar wij door bevangen zijn.
[2] Dit geldt ipso facto ook voor de vele discussies tussen theisten en atheisten. De atheist is er ten diepste van overtuigd dat de werkelijkheid causaal gesloten is en dat de werkelijkheid coherent en regelmatig is. Dit maakt dan ook duidelijk waarom de atheist meent dat de uitspraak: ‘er is waarschijnlijk geen leven na dood’, redelijk is. Hij vergeet er bij te vertellen dat je ook zijn achterliggende metafysica eerst moet accepteren alvorens je de redelijkheid van deze uitspraak kunt ‘zien’. De theist meent daarentegen dat er een bovennatuurlijke werkelijkheid bestaat: een bovennatuurlijke werkelijkheid is in ieder geval zo ondoorzichtig dat het weinig zin heeft om kansen toe te kennen aan mogelijk leven na de dood. Anders gezegd: de uitspraak ‘er is waarschijnlijk geen leven na de dood’ heeft geen enkele betekenis of overtuigingskracht gegeven het wereldbeeld van de theist.
Beste heer Riemersma,
Het is jammer dat u geen abonnement hebt op Skepter, anders had u in het zomernummer van 2009 een artikel van prof. Derksen kunnen lezen onder de titel “7 cruciale argumentatiefouten van juridische waarheidszoekersâ€. Het staat inmiddels op de site : http://www.skepsis.nl/7-argumentatiefouten.html.
Zou u mij kunnen zeggen wat “ff†betekent ? Mijn woordenboek geeft “fortissimoâ€, maar dat zal wel niet de bedoeling zijn.
Beste Atsou-Pier, ff betekent: éffe. Zoals in: he, wacht ‘ns effe! Het is sms-taal. Ik vermoed dat keurige jongeren ff vertalen als ‘even’, zoals in: he, wacht eens even!
Bart, het boek van Bennett en Hacket ken ik niet. Ik heb de titel opgeschreven en zal het ter inzage meenemen de eerstvolgende keer dat ik in de unibieb ben. Bedankt!
Ik ben benieuwd wat je van Dooremalen en de zijnen vindt: zet je een bespreking op de atheist?
@ Jan
Ik denk niet dat ik een recensie op mijn site ga plaatsen; daarvoor heeft het te weinig met religie te maken. Ik ben er nu een tijdje in bezig en het spreekt me erg aan. Ik denk overigens niet dat het als een populairwetenschappelijk boek bedoeld is; daarvoor is het te technisch. Veeleer lijkt het me een inleiding voor een bacheloropleiding die iets met pilosophy of mind, cognitie of neurowetenschap doet.
Ik denk eraan dit jaar iets met mijn leerlingen te doen met dit onderwerp, als we het over de hersenen hebben. Heb jij daar ervaring mee?
Bart, je zegt: leerlingen. Geef jij les aan een middelbare school? Of bedoel je eigenlijk studenten (hogeschool, universiteit)?
Eigenlijk verschilt het niveau bij de leerlingen bijna per jaar. Leerlingen van 6 vwo kunnen erg veel verstouwen, leerlingen van 4 vwo hebben nog wel de nodige moeite met abstracte onderwerpen. Hoe dan ook, alle leerlingen vinden deficiencies buitengewoon interessant (ik zelf ook trouwens
: verhalen over mensen die niet kunnen geloven dat hun eigen arm ook werkelijk aan hen zelf toebehoort en wensen dat de dokter een deel van de arm afzet enz. Ik ‘flans’ mijn cursussen altijd zelf in elkaar, want er zijn over zulke zaken weinig goede lesboeken voor de middelbare school voorhanden.
Maar zijn we collega’s Bart? Leuk!
We zijn inderdaad collega’s. Ik geef les op het mbo (anatomie, fysiologie, Nederlands en SLB), waarbij de meeste van mijn leerlingen tussen de 18 en 20 zijn. Ik heb zo hier en daar wel eens zo’n onderwerp aangesneden, wat vaak met interesse werd begroet. Ik zal dan ook zelf wat in elkaar moeten ‘flansen’, maar dat lijkt me wel leuk. Als ik het doorzet, laat ik je t.z.t. wel weten wat ik van plan ben te gaan doen.
Even tussen al die flansende docenten door dan maar. Alhoewel ik gaarne een “lans voor de flans” zou willen breken. Docenten dienen hun stof immer te verluchten met een spannende flans. Oninteressante onderwerpen bestaan namelijk per definitie niet, er bestaan enkel ongeïnteresseerde toehoorders en een goed uitgevoerde flans brengt hen in de geïnteresseerde trance.
Maar goed. Terug naar de ware toedracht die mij aanzette tot het opnieuw posten alhier (de LT is net een Sirene wiens verleidelijke bloggezang ik niet kan weerstaan. En telkens strand mijn schip dan weer op zijn filosofische rotsen).
De in verbazing omgeslagen grimmigheid van de LT hierboven verbaasde me eigenlijk. Zeker na het lezen van “De vrije wil bestaat niet” (dank voor de tip, op de heenreis naar Canada in één ruk uitgelezen). Alhoewel het beeld van een “zich ten onrechte machtig voelende kwebbeldoos, die in werkelijkheid nauwelijks invloed heeft op onze reflexen”, ook behoorlijk tegen mijn intuïtie indruist, vond ik Lamme’s betoog overweldigend helder en overtuigend.
De griezelige consequentie is natuurlijk dat ook rechterlijke breinen zo werken. Of bazenhersens bij het beoordelen van sollicitanten (gaat vaak in een fractie van een seconde). Of artsenintuïties die reflexmatig diagnoses stellen.
Brrrrr… …maar waarschijnlijk wel waar.
Daarom ben ik ook blij dat onze rechtsspraak in elk geval gebaseerd is op het adagium: “onschuldig tot het tegendeel bewezen is”. Maar het moeilijke zit hem dan natuurlijk weer in dat: “met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid” van het opgevoerde bewijs.
Een merkwaardig voorbeeld over basis reflexen die beslissingen beïnvloeden, vind ik de kwalitatieve betekenis die mensen aan getallen hechten. Persoonlijk houd ik bijvoorbeeld meer van even dan van oneven getallen (weet niet waarom). Vind ze gewoon mooier. Zit meer balans en symmetrie in. Heb daarom dus ook twee kinderen en niet drie (bewust gestopt. Knup drin. Kloar.).
Maar neem bijvoorbeeld 13 als het internationaal bekende ongeluksgetal, 11 als het “gekken” getal (of die dag in september), 3 als de heilige drie-eenheid, etc. Dit is natuurlijk leuk als simpel (bij)geloof, maar er zijn ook serieuze gevolgen. Zo ontdekte men bij een geïsoleerd levende stam een heel bijzonder beslissingsproces. Als er in een groep van 10 mensen een besluit genomen moest worden, ging men net zolang door met argumenteren totdat er 3 mensen voor het idee waren. De rationale voor dit vreemde proces bleek de onderzoekers pas veel later, het getal 3 was namelijk het getal van de “juistheid” en daarmee was de kwaliteit van de beslissing gewaarborgd (terwijl de meerderheid dus tegen was…).
Bepaalde getallen beïnvloeden dus instinctief beslissingen van mensen. Dit gebeurt ook in “beschaafde” landen als Nederland. Uit simpel onderzoek is gebleken dat zowel officieren van justitie (straf eis) als de rechters (opgelegde straf) alle priemgetallen boven de 10 vermijden. Er wordt dus wel 15 jaar geëist en gegeven, maar slechts uiterst zelden 11, 13, 17 of 19 jaar. Deze irrationele voorkeur voor getallen zit kennelijk dus dieper in ons dan we denken.
Daarom beste LT, zou ik ook nooit zomaar mijn SIM kaart in vreemde mobieltjes steken. Je weet immers nooit welke SIM kaart je daarbij al is voorgegaan. Dat soort wisselende SIM contacten probeer ik daarom te vermijden. Zelfs als er een heel mooi even nummertje in zou zitten…
Agno, inderdaad: het boek van Lamme is buitengewoon goed geschreven. Er bestaan maar weinig populair wetenschappelijke boeken die zich zi vlot laten lezen. Toch ben ik het niet met Lamme eens. Er valt over de vrije wil meer te zeggen dan Lamme doet. Ik zal binnenkort eens een voorzetje plaatsen op dit blog. Lamme reduceert de vrije wil tot een verzameling stimulus-respons reacties: het verschil tussen mens en kikker is dat de mens erg veel stimulus-respons modules heeft; zoveel, dat Lamme voorlopig niet veel verder komt dan een voorzichtige schets. Ik denk dat hij daarbij een en ander over het hoofd ziet.
Wisselende sim contacten laat ik voortaan inderdaad achterwege, ik heb mijn lesje geleerd. Maar ik leer mijn leerlingen desondanks dat ons justitiele stelsel behoort tot de beste in de wereld en dat dit bijdraagt aan het hoge algemene gevoel van geluk dat de Nederlander heeft- uit onderzoek blijkt inderdaad dat wij tot de gelukkigste mensen van Nederland behoren (ook dwt kun je onderzoeken). De denen schijnen overigens nogbgelukkiger te zijn dan wij zijn, maar dat zal dan wel komen omdat die al een minderheidskabinet met gedoogsteun hebben
.
Ik schreef ‘dat wij tot de gelukkigste mensen van Nedeland behoren’ , en dat moet natuurlijk zijn ‘dat wij tot degelukkigste mensen ter wereld behoren’. Maar dat was al begrepen, vermoed ik…
Voorbeeldje:
http://www.nieuwsbladtransport.nl/dossiers/artikelen/id947-Duikboten_rode_draad_Scholten.html
“Zelf ontkent hij omkoping, niettegenstaande een storting van 1,2 miljoen op zijn geheime Zwitserse bankrekening en het feit dat hij geruime tijd gratis kan wonen in Joeps gloednieuwe appartement aan de Antwerpse Scheldekaai. ‘Achteraf gezien was het misschien verstandiger geweest om daar iets voor te betalen’, gaf hij schoorvoetend toe. Tegenover de rechter verklaarde Scholten zijn handelswijze als volgt: ‘Ik zag die garanties niet als echt geld. Ik dacht dat het wel weer goed zou komen.’”
Het OM gelooft dat uiteraard niet. Stel je bent rechter: wat is de juiste conclusie? Volgens Scholten waren zijn acties uitsluitend in het belang van de Rotterdamse haven bedoeld. En inderdaad, in de internationale handel met duikboten, wapens, etc. is omkoperij en smeergeld gebruikelijk. Aan de andere kant weet iedereen dat dat gedoe met het geld en het appartement moeilijk uit te leggen zou zijn als het aan het licht zou komen, en dat wist Scholten zelf natuurlijk ook wel.
Ik ben wel benieuwd wat hier uitkomt.
http://www.forensischinstituut.nl/…/Bijkans%20begrepen_tcm68-252562.pdf
Heer Riemersma,
Het is een zeer interessant boek en een aanrader.
U heeft ondervonden hoe snel je in NL als verdachte wordt aangemerkt. En als verdachte kunnen dwangmiddelen worden toegepast. De individuele rechtsbescherming van een individu tegenover de staat geregeld in art. 27 lid 1 WvSv en kenemrkend voor een rechtsstaat is inmiddels een lachertje geworden.
Bij u een mobieltje, bij mij een dode kat als gevolg waarvan ik mijn kinderen ziek meldde daar zij niet leerbaar waren. Je wordt door de leerplichtambtenaar (c.q. de BOA) direct als verdachte bestempeld inzake overtreding art. 2 Leerplichtwet. Naar mijn vaste overtuiging kan dit helemaal niet (arrest hollende kleurling ?). Veel Nederlanders maken zich druk om de heer Wilders echter ik zou mij meer druk maken over het feit dat de Nederlandse Strafrechtsstaat inmiddels zeer sterke trekjes heeft van een politiestaat. Als onnozel burger moet je daarom goed voorbereid zijn.
Ik snak naar de tijd van bromsnor.