Twee boeken met een blauw kaft: Sandel, M – Rechtvaardigheid & Achterhuis, H – De Utopie van de Vrije Markt

Het boek van Michael Sandel Justice verscheen vorig jaar in Amerika. Een wakkere geest bij uitgeverij Ten Have heeft besloten dit werk te vertalen in het Nederlands. Voorwaar, geen slechte gedachte. Alhoewel ik engels kan lezen, is het niet nodig om je zelf ook in de vakantie te kwellen met een taal die je eigenlijk maar half machtig bent. Bovendien lees je in de vakantie voor je plezier.

 

Sandel - Rechtvaardigheid 

 

Sandel is hoogleraar aan de beroemde Harvard Universiteit. Hij doceert politieke wetenschappen, een discipline die feitelijk overeenkomt met wat wij hier de wijsbegeerte van de politiek noemen.

 

In de politieke wijsbegeerte zijn een aantal onderwerpen belangrijk: welke vorm van samenleven is de meest wenselijke, hoe kunnen we de goederen die een samenleving verwerft zo eerlijk mogelijk verdelen (distributieve rechtvaardigheid) en wat is een rechtvaardige samenleving? Sandel bespreekt -zoals we heel schrander uit de titel kunnen afleiden- de laatste vraag; hij probeert zijn lezers uit te leggen wat filosofen tot nu toe hebben weten te zeggen over een rechtvaardige samenleving. Bij het beantwoorden van deze vraag blijken echter alle maatschappelijke vragen van belang te zijn. Je kunt niet over rechtvaardigheid spreken zonder je af te vragen wat het meest rechtvaardige politieke systeem is (liberalisme?) of hoe je goederen eerlijk verdeelt. Je kunt het boek van Sandel dan ook gebruiken als een inleiding tot de politieke wijsbegeerte.

 

Sandel onderscheidt drie verschillende opvattingen van rechtvaardigheid (p.25). In de eerste plaats kun je rechtvaardigheid opvatten als maximalisatie van welzijn. Een rechtvaardige samenleving is een samenleving die er voor zorgt dat de meeste en misschien zelfs alle burgers een zo hoog mogelijke levensstandaard hebben. Sandel schrijft: 'Een groot deel van het hedendaagse politieke debat gaat over de vraag hoe we de welvaart kunnen bevorderen, onze levensstandaard kunnen verhogen en economische groei kunnen stimuleren.' De vrije markt is voor mensen met deze opvatting een belangrijk instrument. Het utilitarisme, de stroming die meent dat het grootste geluk voor het grootste aantal mensen bepalend is voor de beslissingen die men dient te nemen is de wijsgerige stroming die hier het best bij past. Sandel bespreekt dit utilitarisme in het tweede hoofdstuk.

 

Op de tweede plaats kun je van mening zijn dat een rechtvaardige samenleving een samenleving is waar men de vrijheid van de burgers garandeert en respect heeft voor het individu. 'De gedachte dat rechtvaardigheid respect voor de vrijheid en de rechten van het individu inhoudt, is in de hedendaagse politiek minstens even vertrouwd als de utilitaristische gedachte van welzijnsmaximalisatie. Zo stelt de Amerikaanse Bill of rights dat er bepaalde vrijheden bestaan (…) waar zelfs door een meerderheid geen inbreuk op gemaakt mag worden.' Deze opvatting van rechtvaardigheid is dus niet verenigbaar met het hierboven genoemde utilitarisme. Rechtvaardigheid als vrijheid wordt onder andere aangehangen door de neoliberalen. In onze samenleving vertegenwoordigt de Vvd deze syroming. Volgens de neoliberaal is de burger vrij (autonoom) en mag de overheid deze vrijheid op geen enkele wijze beperken. Hier hoort ipso facto bij dat men de markt vrij laat, want de autonome burger moet in vrijheid zijn inkomen kunnen verdienen, zonder dat de overheid hem een strobreed in de weg legt. Evenwel, niet alleen de filosofen van de vrije markt menen dat een rechtvaardige samenleving een vrije samenleving is. Ook John Rawls (hf.6) en Immanuel Kant (hf.5) horen thuis in dit kamp. Zo verdedigt Rawls de opvatting dat een vrije maatschappij pas echt rechtvaardig als deze egalitaristisch is, dat wil zeggen als men er naar streeft alle mensen in gelijke mate succesvol te laten zijn. '[Rawls] stelt dat ongebreidelde vrije markten rechtvaardig noch vrij zijn. Zijn opvatting van rechtvaardigheid vereist een beleid dat sociale en economische achterstalling opheft en dat aan ieder mens een eerlijke kans op succes geeft.' Dit lijkt aan te sluiten bij de koers die de PvdA de laatste jaren gevaren heeft: wel een vrije markt, maar niet zonder bemoeienis van de overheid.

 

De derde opvatting is de idee dat een rechtvaardige samenleving een samenleving is waarin burgers streven naar deugdzaamheid. Een filosoof die meent dat een maatschappij in de eerste plaats deugdzaam moet zijn is Aristoteles (hf.8). 'Het besef dat een rechtvaardige samenleving bepaalde ideeën en deugden over de beste manier van leven behoort te ondersteunen, heeft langs het hele ideologische spectrum politieke bewegingen geïnspireerd.' Volgens Aristoteles komen mensen pas in een polis (samenleving) volledig tot hun recht. In een samenleving leert met zich ethisch gedragen en bovenal leert men dit goede gedrag toe te passen in de praktijk. Zo wordt een mens pas volwaardig mens. De overheid dient dit goede gedrag uit te dragen en mogelijk te maken. In onze maatschappij denken we hierbij misschien aan het Cda en de Chirstenunie, die menen dat normen en waarden onderdeel zijn van het beleid.

 

Kortom, een rechtvaardige samenleving is volgens sommige mensen 1. welvaart voor (bijna) iedereen, of 2. vrijheid voor iedereen of 3. een deugdzame samenleving waarin iedereen, dankzij het uitmuntende bestuur, het beste uit zichzelf haalt.

 

Sandel is een uitstekend didacticus. Nauwgezet, maar met grote kundigheid en precisie geeft hij de opvattingen van de verschillende filosofen weer. Daarbij maakt hij altijd gebruik van duidelijke voorbeelden. Eenvoudiger kan iemand het je niet maken. Ik moet toegeven dat ik grote bewondering heb voor deze geleerde: hij verstaat de kunst om op een hoogst zakelijke wijze, zonder overdreven eenvoudig te worden, te zeggen wat een bepaalde filosoof vindt en waarin zijn opvattingen zich onderscheiden van die van andere filosofen. Glashelder.

 

Maar Sandel doet meer. Hij betrekt je ook in de vele vraagstukken die zich aandienen bij het bespreken van alle verschillende standpunten die in het boek aan de orde komen. Mag je als je neoliberaal op een vrije markt je tanden verkopen als je er een geïnteresseerde koper voor vindt (Sandel vertelt ons dat dit twee eeuwen geleden geen ongewone praktijk was: welgestelde dames lieten 'verse' tanden implanteren die ze kochten van arme mensen. Te vergelijken met het kopen en verkopen van organen in onze tijd); wat is de waarde van een contract dat in vrijheid is getekend door alle partijen; is concurrentie een deugd?

 

Als inleidend werk tot de politieke wijsbegeerte behoort het boek van Sandel beslist tot het beste wat je in de boekhandel of bibliotheek kunt aantreffen. Als je eenmaal begrijpt wat de structuur van het boek is, dan moet het niet veel moeite kosten om ook aansprekende de inhoud van de afzonderlijke hoofdstukken te begrijpen.

 

Hoe anders dan Sandel beschrijft Hans Achterhuis de merites van het neoliberalisme. Achterhuis bedient zich van een minder precieze stijl dan Sandel. Hij is wijdlopiger en begint op sommige plaatsen zelfs gezellig te keuvelen. Zo praat hij je even bij over wat hij van een bepaalde roman vindt en wanneer en in welke omstandigheden hij deze heeft gelezen. Bij Sandel zit je in de collegezaal, bij Achterhuis zit je aan de keukentafel. 

 

Achterhuis - Utopie van de Vrije Markt
 

Wat je aan de keukentafel te horen krijgt is desalniettemin bijzonder interessant. En goed doordacht. Achterhuis betoogt dat het neoliberalisme een utopie is. Is dit belangrijk om te weten? Jawel, want vaak wordt het neoliberalisme, de idee dat als mensen in alle vrijheid kunnen handelen alle economische problemen zich vanzelf oplossen, voorgesteld als een gedegen economisch inzicht. Greenspan, de profeet van de vrije markt, was een aanhanger van de filosofe Ayn Rand (eigenlijke naam Alissa Rosenbaum). In een nogal lijvige roman -Atlas shrugged- presenteerde Rand haar ideeën over de zegeningen van de vrije markt. Ze schildert een utopische voorstelling van een maatschappij waarin mensen het een gezond genoegen vinden om met elkaar te concurreren. En ze vinden het geen enkel bezwaar als ze daarbij het onderspit delven: als de persoon met wie je concurreert beter is dan jij en meer talent heeft, dan verdient hij nu eenmaal de volle winst. (Je mag in deze ideale liberale maatschappij ook niet zomaar van elkaars gastvrijheid genieten. Als iemand de moeite neemt om je op te vangen, dan behoort het tot de mores van het neoliberale Utopia dat je voor deze persoon gaat werken om je schulden in te lossen. Alleen een geboren 'verliezer' wil profiteren van een maatschappij in plaats van er zelf iets aan bij te dragen. Deze opvatting van Ayn Rand moet worden vermeld, omdat Achterhuis fijntjes opmerkt dat zij zichzelf niet aan deze regel hield: Ayn Rand maakte gebruik van de gastvrijheid van mensen zonder hier voor iets terug te doen.) Het geloof in de vrije markt is zeer groot. De overtuiging dat men alle economisch-sociale problemen kan oplossen zolang men maar een vrije markt heeft waarin mensen openlijk met elkaar kunnen concurreren is echter niet meer dan een ideologie. Volgens deze ideologie komt alles goed zolang de overheid zich beperkt tot de rol van conciërge: men mag af en toe een lamp indraaien, en daar hebben we het wel me gehad.

 

Om Ayn Rand verzamelde zich een trouwe schare bewonderaars, waaronder Greenspan. Toen bij het uitbreken van de kredietcrisis de vrije markt echter niet het juiste instrument bleek om de economische problemen het hoofd te bieden -erger, het bleek de oorzaak van de economische problemen te zijn!- toonde Greenspan zich geschokt. Achterhuis beschrijft dit demasqué in geuren en kleuren. Ontstellend, hoe is het mogelijk dat een maatschappij zo blind vaart op een ideologie?

 

Achterhuis laat, nadat hij de ideologie van de vrije markt heeft beschreven, de geschiedenis van de vrije markt de revu passeren. Hij zegt op blz.118: 'Tussen het begin van de zestiende eeuw en het midden van de negentiende eeuw vond in Europa de overgang plaats van een op subsistentie berustende samenleving naar een markteconomie.' Ik meen te hebben geleerd op school dat dat al het geval was in de late middeleeuwen, bij het ontstaan van de steden. Dus pakweg tussen 1200 en 1600. Maar Achterhuis laat zien dat het ontstaan van een markteconomie een moeizaam proces was dat notabene zonder het ingrijpen van overheden niet zou zijn voltooid. Het ontstaan van een markteconomie is, met andere woorden, geen natuurlijk verlopend proces geweest! Een markteconomie ontstaat niet 'vanzelf'. Zo gold het winstprincipe, onmisbaar in de vrije markt want het stelt je in staat om door middel van arbeid en talent meerwaarde te geven aan je inspanningen, lange tijd zelfs nog als een misdadig beginsel (p.141ff).

 

Achteraf wordt deze ontwikkeling, waarbij men de ruilhandel inwisselt voor een open markteconomie, meestal gepresenteerd als 'een geschiedenis van vooruitgang en verbetering'. Achterhuis laat echter zien dat dat geen uitgemaakte zaak is.

 

In het derde deel van het boek komen de filosofen van de vrije markt aan bod. Alhoewel Ayn Rand zelf meende dat ze een groot en belangrijk filosoof was, laat Achterhuis zien dat dat waarschijnlijk wel meevalt. Zo kopieert ze feitelijk de liberale opvattingen van John Locke. Achterhuis zegt: 'Dat [Rand] John Locke nergens noemt is ergerniswekkend. Want in feite  herhaalt ze alleen maar diens ideeën' (p.175). De neoliberaal meent dat je recht hebt op bezit als je dit door eigen inspanning hebt verworven of verbeterd. Ayn Rand is dan ook niet te beroerd om tegen een indiaan die klaagt over het feit dat de Amerikanen zijn land hebben ingenomen, te zeggen dat de indianen geen recht meer kunnen doen gelden op het Amerikaanse grondgebied. Immers, de indianen hebben niets gedaan om Amerika te ontwikkelen en verbeteren, zoals de kolonisatoren dit wel gedaan hebben? (Zie ook het voorbeeld van Sri Lanka onderaan deze bespreking).

 

De utopie van Ayn Rand is voor mij een dystopie (een utopie is een maatschappij die zeer wenselijk is, een dystopie is een maatschappij die juist niet wenselijk is). Het is een samenleving waarin mensen tot hun arbeidskracht worden gereduceerd (anders gezegd, je bent feitelijk zoveel waard als je verdient: je loonstrookje geeft aan wat je waarde is nadat je je een maand hebt ingespannen. Een sportheld of televisiepresentator is letterlijk meer waard dan een leraar. Wie om niets een weblogje bijhoudt kan daar in een neoliberale maatschappij geen meerwaarde aan ontlenen: het is in letterlijke zin een waardeloze bezigheid). En de natuur wordt teruggebracht tot prive eigendom waarmee men mag doen wat men wil. Men hoeft zich daarbij niet te storen aan de schoonheid van de natuur, aan de majesteit van eeuwenoude hoge bomen (wij brengen de vakantie meestal door in de bossen van Holten. Mensen kopen een huisje in het bos en vellen meestal alle bomen, louter en alleen om groter te kunnen wonen en de auto schoon te kunnen parkeren. Eenafschuwelijke slachting. Maar men wil luxe. Dat die prachtige eikenbomen en beuken er tenminste al honderd jaar staan en -bovenal- dat deze bomen van een hemelse schoonheid zijn maakt weinig indruk op de neoliberaal. Maar leg mij eens uit: wie gaat er nu in een bos wonen als hij eigenlijk kale grond nodig heeft? Dit terzijde.)

 

Greenspan nam de neoliberale theorieën van Rand zo serieus dat hij eigenlijk alle toezicht door de overheid wilde afschaffen: zelfs die voor de geneesmiddelen. Het vrije ondernemingsstelsel was volgens Greenspan de enige werkelijke bescherming van de consument tegen oneerlijke zakenlieden. Zelfs Adam Smith valt niet op een dergelijk absoluut geloof in de vrije markt te betrappen, schrijft Achterhuis (p.184). Vervuiling door bedrijven, afbraak van het milieu en zelfs het opzettelijk creeeren van armoede en onderdrukking zijn de vruchten van de ideologie der vrije markt.

 

In het laatste deel beschrijft Achterhuis de keerzijde van het neoliberalisme. Ontluisterend. Ik zal een van de voorbeelden die Achterhuis noemt weergeven: voor de tsunami werd Arugam Bay te Sri Lanka steeds vaker bezocht door de toeristen. De vissers en de toeristen deelden de witte stranden. Dit tot ergernis van de hoteleigenaars en bestuurders die het toerisme wilden bevorderen. De vissers lieten zich echter niet wegjagen. Wat de hoteleigenaars en de bestuurders niet lukte, deed de tsunami. De vissershuisjes werden weggespoeld en het geld dat voor wederopbouw bedoeld was, werd door de hoteleigenaars gebruikt om het dorp te veranderen in een toeristisch paradijs. En dit gebeurde niet alleen in Arugam Bay, maar langs de gehele oostkust. De vissers die terugwilden naar hun dorpen werden met geweld tegengehouden. Men greep de tsunami aan om een bestaand, door de Wereldbank opgesteld privatiseringsprogramma door te voeren. Veel protest werd er dan ook niet aangetekend tegen de gang van zaken, want het neoliberale geloof in privatisering heiligde alle middelen.

 

En er komt meer neoliberaal onheil  in dit laatste deel van Achterhuis' boek aan de orde dan een mens verdragen kan, zoals het verband tussen het neoliberalisme en de coup in Chili.

 

Het bestrijden van onzin lijkt zich meestal te beperken tot geneeswijzen en bepaalde levensbeschouwelijke opvattingen. Deze worden vaak afgeschilderd als levensbedreigend. Ondertussen zijn de ideologische opvattingen die onze politici en bestuurders hebben en waardoor ze zich laten leiden veel gevaarlijker. Deze opvattingen laten we echter meestal ongemoeid, waarschijnlijk omdat economen hun ideologische opvattingen voorzien van berekeningen (Friedman, zie p.231). Het gedachtegoed van de neoliberale economen wordt aangezien voor wetenschap. Bij Achterhuis aan de keukentafel kom je echter tot andere inzichten.

 

Wie nu, tenslotte, het boek van Sandel er nog eens bijneemt leert dat Rawls een redelijk alternatief heeft geformuleerd voor het neoliberalisme (hf.6). De theorie van Rawls is argumentatief hecht doortimmerd: geen wetenschap, maar ook beslist geen ideologie. En vooral dat laatste is belangrijk.

 

Zeg niet te snel dat filosofie een nutteloze bezigheid is, het werk van Achterhuis en Sandel is zeker niet zonder belang.

Sandel, M – Rechtvaardigheid, Ten Have, 2010, euro 25,-

Achterhuis, H – De Utopie van de Vrije Markt, Lemniscaat, euro 20,-.

(zie voor kennismaking met Sandel: www.justiceharvard.org ).

10 thoughts on “Twee boeken met een blauw kaft: Sandel, M – Rechtvaardigheid & Achterhuis, H – De Utopie van de Vrije Markt

  1. Dit korte verhaaltje (helaas Engels, maar dat moet kunnen op vakantie :-) ), over de vermeende vreugden en deugden van het vrije marktdenken spreekt me altijd erg aan.

    “The MBA and the Mexican Fisherman”

    An American businessman was at a pier in a small coastal Mexican village when a small boat with just one fisherman docked. Inside the small boat were several large yellow-fin tuna. The American complimented the Mexican on the quality of his fish and asked how long it took to catch them.

    The Mexican replied “only a little while”.

    The American then asked why didn’t he stay out longer and catch more fish?

    The Mexican said he had enough to support his family’s immediate needs. The American then asked the Mexican how he spent the rest of his time.

    The Mexican fisherman said, “I sleep late, fish a little, play with my children, take siesta with my wife, Maria, stroll into the village each evening where I sip wine and play guitar with my amigos. I have a full and busy life, senor.”

    The American scoffed, “I am a Harvard MBA and could help you. You should spend more time fishing and, with the proceeds, buy a bigger boat. With the proceeds from the bigger boat, you could buy several boats, eventually you would have a fleet of fishing boats. Instead of selling your catch to a middleman you would sell directly to the processor, eventually opening your own cannery. You would control the product, processing and distribution.

    “You would need to leave this small coastal fishing village and move to Mexico City, then LA and eventually NYC where you will run your expanding enterprise.”

    The Mexican fisherman asked, “But senor, how long will this all take?”

    The American replied, “15-20 years.”

    “But what then, senor?” asked the Mexican.

    The American laughed, and said, “That’s the best part! When the time is right, you would announce an IPO and sell your company stock to the public. You’ll become very rich, you would make millions!”

    “Millions, senor?” replied the Mexican. “Then what?”

    The American said, “Then you would retire. Move to a small coastal fishing village where you would sleep late, fish a little, play with your kids, take siesta with your wife, stroll to the village in the evenings where you could sip wine and play your guitar with your amigos.”

  2. Een geestig verhaal van Agno. Dan weer een wat serieuzer verhaal van mijn kant.
    Een rechtvaardige samenleving bestaat (nog) niet, net zo min als een ideaal economisch systeem. Het blijven moeilijke begrippen waaromtrent ook snel verwarring ontstaat. Na met de fiets rondgetrokken te hebben in Noord- en Zuid-China, zowel op het platteland als door steden , kwamen mijn vrouw en ik bv tot de conclusie dat China beslist geen communistisch land is. Er heerst daar een keihard kapitalistisch systeem onder leiding van de communistische partij. Het verschil tussen arm en rijk is enorm. Zo fiets je door dorpen waar je het idee hebt dat de Middeleeuwen nog maar net afgelopen zijn, 50 km verder rij je een grote stad binnen, die weinig onderdoet voor een moderne stad in West-Europa. Het leven is er keihard. Zijn jullie op vakantie, wat is dat? In China geldt: niet werken, geen geld verdienen. Op vakantie met vakantiegeld? Zijn bij jullie de werkgevers collectief krankzinnig geworden? Bewonderenswaardig zijn de Chinezen zelf. Ze slaan er zich opgewekt doorheen. IJverig, leergierig, tegenslagen snel verwerkend, niet bij de pakken neerzittend, dat volkje komt er wel.
    De Westerse maatschappij lijkt veel rechtvaardiger dan de Chinese, maar voor een groot deel is dat schijn, een dun vernislaagje. Omdat we rijker zijn, zijn er redelijk goede sociale voorzieningen. Echter als het slechter gaat met de economie worden die sociale voorzieningen ook zo weer afgebouwd.
    Alle grote veranderingen gaan schoksgewijs. De wal zal het schip altijd keren. De Franse revolutie ontstond omdat de Franse adel (geholpen door de geestelijkheid) het zo bont had gemaakt wat betreft machtsmisbruik dat de bevolking in opstand kwam en de zaak kort en klein sloeg. In Oost-Europa hadden de communistische machthebbers het zo bont gemaakt wat betreft machtsmisbruik dat de muur uiteindelijk wel moest vallen, de bevolking pikte het niet meer. Het vrije markt mechanisme zal ten onder gaan aan zijn schaduwzijden: ongebreidelde consumptiedwang en –drang; uitputting natuurlijke hulpbronnen; klimaatcrisis;ongehoorde macht van multinationals en banken; ongebreidelde hebzucht etc. etc. Maar we zijn er nog lang niet vanaf. Echter de wal gaat ook dit schip (het vrije marktmechanisme) keren. Het begin is gemaakt . Komt er daarna een rechtvaardiger systeem? Geen idee. In de struggle for life is alles mogelijk. Hopelijk neemt de bewustwording zodanig toe dat de mens meer visie gaat tonen. Teilhard de Chardin had daar een groot vertrouwen in gezien zijn boek “Het verschijnsel mens”. Maar dat gaat over de erg lange termijn.

  3. Mooie, geloofwaardige besprekingen en ook reacties van Agno en Nand Braam. Skepsis als ‘levenshouding’ eigenlijk ook ten voeten uit in mijn beperkte ogen en oren, van alle drie. De schrijvers van de boeken, en DLT en de reageerders. (Hoe kun je trouwens anders zijn dan ‘skeptisch’ als filosoof of als mens zonder meer?)

    Maar even het topic ‘verplaatsen’ naar de grote politiek (met de mooie polis; dat de verzekeringen er ook nog een polis op na houden, is dat gewoon een etymologisch toeval?), dan is de emo-discussie ook wel weer gauw te luwen, in ieders ziel, denk ik, maar daar wil ik eigenlijk een definitie van, van die ziel, maar ja die er niet is. Psyche is ook wind, en zucht. En adem. Zij beweegt en vliegt vooral…tot 80, als je het haalt. Sommige vliegen en velen … fietsen.

    Voor een Stichting met zo’n naam Skepsis als ‘onderwerp’ eigenlijk veel te groot! Dat kan Kurtz zich in 1976 nooit ten volle bewust zijn geweest. Eens. Maar een mens probeert wat! Zie een bloggende DLT. En je moet wel degelijk ook ‘concentratiegebieden’ in het leven hebben (als je de particuliere geschiedenis ook kent van mensen; en het detail zoeken lijkt daarbij soms wel eens contradictoir aan het ‘grote’ denken). (En in het ‘fijne’ zit hem daarentegen ook niet zelden de kneep.) Dus kom liefst bij mij emo-gewijs vooral niet aan een paar mensen met ‘mooie sporen’ op zeer geconcentreerde gebieden van dat specifiekere (noodzakelijk en noodgedwongen!) skepticisme, en daarbuiten wens ik wens jou, DLT, vooral nog een heerlijke voortzetting van je vakantie, met of zonder ‘grote’ b(r)oeken in Holten.

    Inderdaad een belangeloos voorbeeldig denkblog, en ook onder meer ook daarom zo goed te pruimen! En uiteraard ook om de ‘humor’ die Agno er nu weer bij wist te vinden, natuurlijk. Die was weer prachtig, maar om een of andere manier voelde ik de clou dit keer redelijk ver aankomen. Denk ik. Maar ja, achteraf heb je altijd gelijk….in je eigen geest (ach al weer zo’n begrip waar ik maar geen vat op krijg). Het blijft een blog van een protestant, dus mijn heil (alweer zo een woord, dat om een definitie schreeuwt) hoef ik alvast niet in Rome of Mekka te zoeken, dus dat nog eerder hier….

    P.S. Met volgelingen in een eerdere reactie bedoelde ik volgers, en niet volgelingen, dat was een soort taaldegeneratie in mijn hoofd en niet een bedoeld sarcasme, mooi om dat ook even meteen recht te kunnen zetten.

  4. Het is natuurlijk wel gemakkelijk om tegen “neoliberalisme” aan te schoppen als je zelf niet hoeft te zeggen hoe het dan wel moet.

    Een kort overzicht van neoliberalisme staat op http://nl.wikipedia.org/wiki/Neoliberalisme

    Zoals daaruit blijkt, wordt er al heel lang gedebatteerd over de vraag in hoeverre de overheid dient in te grijpen op de markt.

    In het wiki artikel staat “Essentieel in het politieke denken binnen het neoliberalisme is de vraag of, en in welke mate, marktwerking gestuurd moet worden. Dit kan door middel van actieve overheidsbeleidsturing, of markttoezichthoudende organisaties die alleen de elementaire voorwaarden voor marktwerking bewaken, zoals het voorkòmen van kartelvorming en prijsafspraken, en het onderhouden van een effectief vergunningenstelsel.”

    Het is dus niet zo dat “vrije markt” hetzelfde betekent als: iedereen doet maar wat hij wil. De overheid moet wel degelijk ervoor zorgen dat de markt vrij blijft, b.v. door anti-kartel wetgeving. Daarom is er ook EU beleid voor vrije mededinging.

    Onder “Kritiek” staat “Er wordt veel kritiek uitgeoefend op het neoliberalisme. Zo stellen enkele politieke partijen dat de vrije markt vooral goed is voor welgestelde mensen of landen. Daarnaast denken velen dat de pure vrije markt voor bepaalde sectoren, zoals de gezondheidszorg, ongeschikt is. Verder wordt neoliberaal als milieuonvriendelijk gezien, omdat neoliberalisme in principe tegen milieuheffingen en strenge milieuwetgeving voor bedrijven is. Volgens critici bestaat er een kans dat de neoliberale ideologie een gedeeltelijke oorzaak is van de kredietcrisis in 2008.”

    Dit soort thema’s wordt leuker als je ze in een realistische context plaatst. B.v. een groot bedrijf dreigt van Nederland naar Bulgarije te verhuizen wegens de strenge milieu normen in Nederland. Of Schiphol mag niet uitbreiden vanwege geluidsoverlast voor omwonenden. Wat is dan de juiste conclusie? Van Bush sr. kennen we het “It’s the economy, stupid!”, en alhoewel dat wat bot klinkt is het ook niet helemaal onwaar. Dat maakt politiek moeilijk, dat dingen niet zwart/wit zijn. Banken nemen risico’s, en dat kan (goed) fout gaan, maar ze verbieden risico’s te nemen zou weer hele andere problemen veroorzaken, zoals bedrijven die failliet gaan, mensen die werkloos worden, etc. Als eenmaal 30% van de bevolking werkloos is dan piept iedereen wel anders, want dan worden de uitkeringen gehalveerd, de werklozen gaan op een vreemde partij stemmen, etc. Ik zal de geschiedenis er maar niet bijhalen.

    Dus zo simpel als in deze blog wordt voorgesteld is het allemaal niet; gewoon de vrije markt helemaal afschaffen is duidelijk ook geen optie. En privatisering van de gezondheidszorg levert risico’s op, maar aan de andere kant moet een en ander toch nog wel betaalbaar blijven. We kunnen er toch niet eindeloos veel meer miljarden aan uit blijven geven? Dilemma, dilemma. DAT is nog eens een interessant filosofisch themaatje. Zie ook die justiceharvard.org: niets is zwart/wit, staat daar. En zo is het.

  5. @ Martin

    Heel goed dat er ook iemand opstaat om het neoliberalisme te verdedigen. Want het neoliberalisme is natuurlijk niet 100% fout, maar ook niet 100% goed. Maar de schaduwzijden van het neoliberalisme zijn de laatste jaren wel duidelijk naar voren gekomen. Meer overheid is dan weer een logische reactie. De banken onder controle door meer overheidstoezicht. Meer overheidstoezicht (in dit geval de EU) om multinationals onder controle te krijgen: Microsoft aan banden; lagere beltarieven voor bellen in het buitenland; boetes voor grote bedrijven voor verboden prijsafspraken etc. In de gezondheidszorg wel privatisering (ik zou zeggen de verzekeraars meer invloed om de zaak betaalbaar te houden) maar met strak toezicht van de overheid. De Balkenendenorm is, volgens mij, terecht door de Nederlandse overheid ingevoerd voor de topsalarissen in de publieke sector. Kortom na de neoliberale hausse is meer overheidstoezicht, volgens mij, een juiste reactie. Koerscorrecties voor het neoliberale schip, omdat we anders gaan stranden.

  6. “De utopie van Ayn Rand is voor mij een dystopie (een utopie is een maatschappij die zeer wenselijk is, een dystopie is een maatschappij die juist niet wenselijk is).”

    Ik weet niet of deze definitie van utopie (en dystopie) van Achterhuis of van DLT afkomstig is, maar mijns inziens is deze definitie te zwak. Wiki spreekt van een onmogelijke werkelijkheid. De Petit Robert geeft als definitie : 1) (vroegere betekenis) pays imaginaire où un gouvernement idéal règne sur un peuple heureux, en 3) (huidige betekenis) idéal, vue politique ou sociale qui ne tient pas compte de la réalité.
    Dit laatste impliceert dat bij het nastreven van een utopie morele dan wel fysieke dwang moet worden toegepast teneinde het doel te kunnen bereiken.

  7. Sandel trekt volle zalen
    Miljoenen mensen bekeken zijn internetcollege’s
    Hij loopt rustig
    Is Razend populair
    Een college trekt meer dan duizend studenten
    Hij krijgt de studenten muisstil
    Zijn verhaal is adembenemend
    Hij geeft prachtige voorbeelden
    Is de vriendelijkheid zelve
    Is slank en aimabel
    Is een gemeenschapsdenker
    Zijn collegereeks is succesvol
    Hij lijkt wel een popster
    De studenten zijn lyrisch
    Én onder de indruk
    Hij oogst niets dan lof
    Is geoefend, kundig en overtuigend
    Kortom een briljante geest.

    Brrr

    Ik vermoed dat de eindredactie van Trouw met vakantie is.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

*

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>